De Hoge Raad oordeelt dat het percentage van 8% in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris is ongegrond.
De kern: het Besluit belasting- en invorderingsrente hanteert voor de vennootschapsbelasting (VPB) een belastingrentepercentage van 8%, terwijl voor de inkomstenbelasting (IB) en andere belastingen een lager percentage geldt.
De vennootschap in deze zaak ontving een voorlopige aanslag VPB met belastingrente over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023 — berekend naar dat hoge percentage van 8%. De vraag: is dat hogere percentage juridisch houdbaar?
De Hoge Raad doorloopt een gestructureerde beoordeling: eerst de zorgvuldigheid van de voorbereiding, dan de inhoudelijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
Het hogere VPB-rentepercentage berust op budgettaire motieven. Er is echter geen rechtvaardigingsgrond om die hogere lasten bij een beperkte groep belastingplichtigen neer te leggen. Dit is in strijd met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel.
Rentepercentages vergeleken — beweeg over de balken voor details:
De Hoge Raad overweegt ten overvloede dat het VPB-percentage moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel die geldt voor de IB en andere belastingen.
In de praktijk betekent dit dat de vennootschap recht heeft op herberekening van de belastingrente naar het lagere, algemene percentage. Het hogere VPB-tarief kan niet worden toegepast.
Het cassatieberoep van de Staatssecretaris is ongegrond. Het hogere VPB-rentepercentage van 8% is onverbindend. Voor de VPB geldt het percentage op basis van de algemene regel (IB en andere belastingen).